Als ik per toeval naast een kleine Tibettaanse vrouw loop, zie ik dat ze met beide handen een duif vasthoudt. Ze maakt een gebaar dat de duif niet goed kan vliegen. Ik pas mijn pas aan en loop gelijk met haar op, open naar wat kan gebeuren. Ze maakt een eet- en geldgebaar. Meer mensen/kinderen bedelen hier in Kathmandu, dus ik denk dat ze geld aan mij vraagt voor eten. Ik pak 100 roepie uit mijn zak (dat is zestig cent en daar kan je een warme maaltijd voor kopen) en wil het geven. Dan maakt ze een gebaar in de richting waarin we lopen. “Oh ja”, denk ik “bij de grote stupa kan je voer kopen voor de duiven die een speciale plek daar hebben. Ik denk dat ze bedoelt dat ik eten voor de duif moet kopen.”
Dit naast elkaar lopen, met en voor de duif, geeft een woordeloze verbinding. Mijn nieuwsgierigheid in zo’n spontane ontmoeting wint het meestal van mijn angst voor het onbekende. In dit geval zeker. Vooral de krachtige maar tedere geste die ze maakt, draagt daaraan bij.
Samen komen we op plek waar duiven gevoerd worden. Die ligt naast de voor de Boeddhisten heilige grote Stupa. De vrouw laat de duif direct los, en ik zie dat die inderdaad een gebrekkige vleugel heeft. De vrouw laat zien waar ik het voer kan kopen, 1 bakje voor 100 rupee. We strooien de grote bak graan gezusterlijk hand voor hand uit bij de duiven. Helaas wordt de bewuste duif wel direct besprongen door een groter exemplaar. Daar is verder geen oog voor. Survival of the fittest…..
De vrouw wijst in de richting van waar we vandaan kwamen: ze gaat dus weer terug. We buigen en zeggen met de handpalmen tegen elkaar: Namasté (dat zoveel betekent als ‘ik groet het goddelijke in jou’). Zij draait zich om en gaat op in de menigte Boeddhisten die daar al biddend rondlopen. Vervuld door deze warme en spontane ontmoeting, blijf ik nog even bij de duiven staan.
Terug in het hotel lees ik in mijn notitieboekje wat Hans Korteweg zegt over mededogen:
Mededogen is niet een gebeurtenis, het is iets dat er onmiddellijk is. Het is van groot belang te beseffen dat je voortdurend instrumenteel bent in ruimte en tijd, maar datgene van waaruit je put, en waarin je bent opgenomen, niet wordt bepaald door ruimte en tijd. In die zin is genezing een wonder.
In het licht hiervan zie ik mijn belevenis met de Tibetaanse vrouw als volgt:
het mededogende in mij resoneert met het altijd aanwezige veld van mededogen. De Tibettaans-Boeddhistische gemeenschap waar ik tussenzit in Kathmandu zorgt ervoor dat dit veld voelbaar actief en zichtbaar is. Ze reciteren de hele dag door gebeden die gaan over het verlichten van het lijden van alle wezens op aarde. Ze zorgen voor de dieren en voor elkaar. Mededogen leeft hier, is vanzelfsprekend, en rijst onmiddellijk op, steeds weer. Deze mensen, oorspronkelijk uit de bergen, zijn gewend om met weinig woorden en met eenvoudige treffende gebaren te communiceren. Daar houd ik van. Het blijft zo dichtbij het nu, dichtbij de grond van alles.
Vervuld blijf ik daar, tussen de duiven dus, nog even staan. In plaats van vervuld kan er dus ook staan ‘genezen’. Zo’n ontmoeting doet me namelijk opleven, herleven in de ruimte van spontaan oprijzend, zo oermenselijk mededogen.